Naar inhoud

Het Domein van het kasteel van Seneffe

 

 

 

 

Het kasteel

Het kasteel, waarvan de bouw van start ging in 1763, omvat een indrukwekkend woongedeelte met Corinthische pilastergevel en frontons. Aan weerszijden van dit hoofdgebouw bevindt zich een galerij met Ionische zuilen en paviljoenen. Daardoor loopt het voorplein over een totale lengte van 80 meter. Deze grandioze symmetrische constructie werd opgetrokken in de natuursteen uit de streek, veelal grote monolieten. Seneffe is het monument van de “blauwe hardsteen”. Dewez, een voorvechter van de terugkeer naar de Romeinse oudheid, heeft hier een meesterwerk neergezet, met invloeden uit het oude Rome maar ook elementen uit de Italiaanse Renaissance en verder Engelse en Franse accenten. De ritmische compositie verleent het kasteel een krachtige en tegelijk sobere uitstraling. Binnen valt vooral de verzorgde aankleding op, met sierlijk stucwerk en fraaie parketten.

Door zijn internationale bezieling, de harmonie tussen staatsievertrekken en woonfunctie, de schoonheid, de omvang en het vernieuwende concept is Seneffe ontegensprekelijk een monument met Europese dimensies.

De bijgebouwen

De bijgebouwen, vroeger “het neerhof” genoemd, bestaan uit drie aaneensluitende eenverdiepingvolumes onder hanenbalken, opgetrokken rond een uitgestrekte vierkante binnenplaats die uitgeeft op het park.De gebouwen zijn toegankelijk via de twee grote poorten van de galerij links van de kasteelingang.Deze constructies in witgekalkte baksteen, verfraaid met architectuur- en sierelementen in hardsteen, boden aanvankelijk onderdak aan de stallingen, de koetsen en de dienstgebouwen. Boven één ervan steekt het ronde torentje van de duiventil uit, een teken van macht want het bezit van duiven was een voorrecht van de landsheer. Dit complex, knap geïntegreerd in het kasteel, is een knap staaltje van de toenmalige functionele architectuur.

De kapel

De twee galerijen van het kasteel lopen telkens uit op een paviljoen, bestaande uit twee geometrische grondvormen: een kubus met daarboven een cilinder. In combinatie met de Romeinse koepel was dit ontwerp zijn tijd ver vooruit.

Het paviljoen rechts was een dienstlokaal met belvédère, terwijl het andere onderdak bood aan een kapel. De binnenstructuur bestaat uit een achthoek met daarop twee koepels boven elkaar, versierd met stucwerk. Onder de bovenste koepel, geschraagd door colonnetten, bevindt zich een kleine daklantaarn. Dit heiligdom metvoornamelijk lichte kleurschakeringen en een vloer in wit, rood en zwart marmer bevatte voornamelijk een altaar met oplegwerk in verguld brons. Net als het beeld van De heilige Jozef met het kindje Jezus, een sculptuur van Faydherbe uit 1655 waarmee het samen in een nis stond, was dit altaar gehouwen uit wit marmer. Rechts van de ingang, in een wandkast, lagen de kazuifels opgeborgen.

Ze waren gemaakt van karmozijnrood en wit moiré met goudborduursel, wit damast gegalonneerd met goud, etc.

Het grote fonteinbekken

Een van de meest indrukwekkende gedeelten bevindt zich aan de achterkant van het Kasteel, waar we het grote fonteinbekken met zijn twee uitstekende armen en 15 meter hoge waterstraal vinden. Tussen het Kasteel en het grote bekken vormen lindendreven met loofgewelven het verlengstuk van de galerijen op het Voorplein. De omtrek van dit grote bekken werd in zijn oorspronkelijke staat hersteld en rond de zijkanalen werd een dubbele rij bomen geplant.

De overgang wordt gevormd door een met graszoden bedekte helling die doorloopt rond de twee middelste boogstukken.

Tot slot werd de smalle vrije ruimte aan het uiteinde rechtgetrokken en opnieuw met gras bedekt. De gedenkzuil van de slag van Seneffe (11 augustus 1674), helemaal achteraan dit prachtige decor, wordt heel bijzonder in de verf gezet. Van hieruit hebben de bezoekers een schitterend uitzicht op de achterkant van het Kasteel en op het tracé van de wandeldreven.

Het theater

Het meest fascinerende bouwsel in de tuin is het theater, in 1780 gebouwd naar de plannen van de Franse architect Charles De Wailly. Omdat het vervolgens werd opgesmukt met borstbeelden van de beeldhouwer Augustin Pajou, verenigt het twee Franse beroemdheden in zich.

Het theater voldoet aan de voorschriften van de Dorische bouworde (één van de drie bouworden uit de Grieks-Romeinse oudheid die vertegenwoordigd zijn op het domein van Seneffe) en vertoont een vernuftige ordening van eenvoudige volumes en herhalingen. Vooral de scène trekt de aandacht, met een verkort trompe-l’oeil perspectief waarvan de zuilen in werkelijkheid nagenoeg vlak zijn.

Hoewel het hier voornamelijk gaat om een folie die het park extra esthetisch cachet moest verlenen, speelde dit bouwsel ook in op de toenmalige trend waarbij familie en vrienden toneel speelden.Het theater, toegewijd aan de Muzen en de Vrije Tijd (de inscriptie heeft het over “Musis et Otio”), wordt nu gebruikt als muziek-, vergader- en ontvangstzaal.

De ijskelder

Van de 17de tot de 19de eeuw werd in de parken vaak een grote droge put uitgegraven. Deze werd vervolgens opgehoogd en moest dienen als voorraadkelder voor ijs.

Men had dan een heel jaar door ijs beschikbaar voor de bewaring van voedingswaren en dranken. Het heuveltje boven de ijskelder werd gebruikt als tuinornament, eventueel bebouwd met een Chinees paviljoen of een huisje met rieten dak. 

De ijskelder in Seneffe dateert van omstreeks 1784. Overeenkomstig de gebruiken gaat het om een ronde put met een bakstenen gewelf, uitgegraven in een iets hoger liggend deel van het park om vochtoverlast te vermijden. De ijskelder is vanuit noordelijke richting toegankelijk via een smalle gang met twee opeenvolgende deuren. Oorspronkelijk bevond zich als ornament bovenop de ijskelder een kluizenaarshut.

De tuin der drie terrassen

De drie terrassen werden oorspronkelijk aangelegd als twee moestuinen met afzonderlijke perken en een lager gelegen boomgaard. Dergelijke moestuinen trof men aan in de meeste kasteelparken, veelal beschut door muren.
In Seneffe bestond deze afgesloten tuin uit drie aflopende rechthoekige terrassen. De boomgaard was toegankelijk via een dubbele gekromde trap aan weerszijden van een ronde loggia met spiraalvormige zuiltjes van roze en wit marmer.
Hoewel de algemene structuur ongewijzigd is gebleven, werd het terrein omstreeks 1910 heraangelegd door de befaamde Parijse tuinarchitect Jules Vacherot, die een rozentuin toevoegde. In 1984 bracht René Pechère, in een klassieke formele stijl, bloemperken en hegverdelingen met een dubbel 
amfitheater aan.

De oranjerie

Vanaf de 16de eeuw werden kasteeltuinen versierd met oranjebomen in bloembakken, die ’s winters onderdak kregen in een oranjerie, een lichtjes verwarmd gebouw op het zuiden. De oranjerie van Seneffe werd in 1782 gebouwd door hofarchitect Louis Montoyer, in een sobere stijl waarvoor inspiratie was gezocht in de Romeinse oudheid. De zuidgevel vertoont een opeenvolging van grote ramen, terwijl opzij en achteraan gebruik is gemaakt van dubbele blinde muren. Een reeks koepels zorgt voor extra isolatie.

In het nieuwe gebouw werd de omvangrijke collectie oranje- en citroenbomen van het kasteel van Mariemont ondergebracht, aangekocht uit de nalatenschap van Karel van Lotharingen. Later kwamen daar tal van andere uitheemse planten bij. Voor de ananas, in die tijd een nog zeldzamer luxe, werd een speciale serre gebouwd. Deze is inmiddels verdwenen. De oranjerie kon in 1978 alsnog voor verdwijning behoed worden. In het gerestaureerde gebouw vinden nu culturele activiteiten plaats.

Het grote parterre

Omdat het plan uit 1799 onvoldoende nauwkeurig was, werd er bij de reconstructie van het tracé heel logisch voor geopteerd om het in de architectuur van het Kasteel te integreren en zo het grote groene tapijt in het midden, waarlangs twee wandelpaden met een loofgewelf lopen, in ere te herstellen.

Het grasperk wordt subtiel doorsneden door een wandelpad dat in het tracé van de tweede dwarsdreef van het park is geïntegreerd. Het grote bloemperk trekt talrijke bezoekers aan die er heel erg van houden om zich hier rustig neer te vleien en naar het  achtergrondgeruis van het water van het grote bekken te luisteren. Tenzij het grasveld in de zomermaanden wordt ingepalmd door de werken van een of andere kunstenaar die in het Park worden tentoongesteld…

De vogelkooi

De vogelkooi was traditioneel een trekpleister in tuinen van enige omvang.
De eerste vogelkooi van Seneffe werd gebouwd in 1783, tussen de oranjerie en de grote waterpartij in.
Het was een klein rond gebouw met vier van tralies voorziene uitsprongen in kruisvorm, omringd door een grote open ruimte. In deze constructie zaten de – veelal exotische – vogels beschut tegen weer en wind en konden ze vrij rondvliegen. De uitsprongen moesten dienen om vogelsoorten die niet met elkaar overweg konden te scheiden.
Zowat honderd jaar later werd niet ver van de eerste een tweede, gelijkaardige vogelkooi opgetrokken, in rode en zwarte baksteen. Met de materialen hiervan werd de huidige vogelkooi heropgebouwd.

De vijver

De vijver werd in zijn oorspronkelijke vorm hersteld en in het verlengde ervan werd een druppelvormige uitbreiding toegevoegd. Het romantische eilandje is door middel van een klein brugje met de oever verbonden.

Aan de achterkant strekt zich de zogenaamde “Brongniartzone” uit, het landschapachtige gedeelte van het park dat is aangelegd in de stijl van een Engelse tuin. Dit deel van het Domein heeft geen geometrische structuur en beantwoordt aan de nood aan vrijheid en terugkeer naar de natuur die omstreeks 1775 in heel Europa enorm populair werd en ook in de eeuw daarna furore maakte.

Parking

De “bezoekersparking”  met zijn 400 parkeerplaatsen staat gratis ter beschikking (volg de pijlen).
Er zijn speciale zones ingericht voor autocars en schoolbussen.
Van daaruit bereikt u via een geplaveid weggetje het inkomhek van het Domein.
Voor personen met beperkte mobiliteit is er een ingang voorzien (volg de aanduidingen van de ingang voor leveranciers en personen met beperkte mobiliteit: rue de Courcelles) .